Home Goed Fout Ken je dit woord? Uitdrukkingen Tips Nu Jij
Archief
Grammatica

Ik vind het prettig als je mij nog even belt.Hij heeft er moeite mee om een antwoordapparaat in te spreken.Dit zijn twee voorbeelden van complexe zinnen waarbij je 'het' gebruikt of 'er' met een prepositie om iets in te leiden wat in de rest van de zin gezegd wordt. Veel NT2 leerders vergeten in dit soort zinnen 'het' of 'er' te gebruiken. Daarom een oefening met deze twee doorten zinnen.In de zinnen met 'het' gebruiken we 'vinden' 'het' en woorden als leuk, mooi, vervelend, goed etc.Oefening 1Vertel wat je leuk, goed, moeilijk etc vindt. Vergeet 'het'...

Lees meer >>

Er zijn werkwoorden die we vaak combineren met een zelfstandig naamwoord. Voorbeelden hiervan zijn: hulp vragen, moeite hebben, rekening houden met
Als we op deze manier combinaties maken, krijgt het zelfstandig naamwoord meestal geen lidwoord. Dat kun je dus niet fout doen bij dit soort combinaties.
Omdat het moeilijk is deze combinaties geod te onthouden, raden we je aan een apart notitieboekje te maken met deze combinaties.

Oefening
Pak een krant of tijdschrift of kijk op internet en kijk of je zelf ook van dit soort combin...

Lees meer >>


Waarom zeggen we "prettig weekend" en "fijne avond"? Of anders gezegd: waarom komt er een –e achter 'fijne' en niet achter 'prettig'?

Dit heeft te maken met het woordgeslacht, dus met 'het' en 'de'. 'De' woorden krijgen altijd een –e, maar bij 'het' woorden moet je opletten.

Als het woord onbepaald is, dus als je het woord gebruikt zonder 'het' of met het woordje 'een' of 'geen', krijg je nooit een –e.
Daarom zeggen we dus:
Prettig weekend!
Lekker weertje!
Fijne vakantie!

Lees meer >>

Wanneer schrijf je de delen van een scheidbaar werkwoord nu los en wanneer niet?
Een paar voorbeelden:
Ik neem mijn tas mee.
Ik moet mijn tas meenemen.
Ik zeg dat ik mijn tas meeneem.
Ik heb mijn tas meegenomen.
Hoef je je tas niet mee te nemen?

In de tegenwoordige tijd en verleden tijd in een normale zin staan de delen los. In combinatie met het woordje ‘te’ ook los. In alle andere gevallen schrijf je de delen van een scheidbaar werkwoord aan elkaar.

Opdracht
Kies een aantal...

Lees meer >>

Behalve voorzetsels/preposities in combinatie met een werkwoord zijn er ook preposities die we gebruiken bij tijdsaanduidingen: 
Ik ben binnen een paar minuten bij je.
Er rijden meer bussen door de week dan in het weekend.
In mei ga ik op vakantie. In het weekend slaap ik uit. In 2010 ben ik klaar met mijn opleiding. 
Na de les ga ik direct naar huis. 
Om twee uur heb ik een vergadering. 
Op<...

Lees meer >>

De werkwoordsvorm ‘zou’ of ‘zouden’ gebruiken we onder andere voor informatie waar je niet helemaal zeker van bent.
Twee voorbeelden:
Mijn buren zouden uit elkaar gaan. Dat hoorde ik van mijn andere buren.
Volgens Story zouden Katja Schuurman en haar man Thijs Römer van de drank af willen, dat wil zeggen zes weken per jaar.

Oefening
Lees eens een aantal stukjes in roddelbladen als Story of Privé. Vertel vervolgens met behulp van ‘zou’ of ‘zouden’ wie er gaat scheiden, z...

Lees meer >>


Het werkwoord zullen gebruiken we heel veel als we een voorstel doen:

Zullen we koffie drinken?
Zullen we vanavond naar de film gaan?

Ook gebruiken we het als we een belofte doen.

Ik zal je vanavond even bellen.
Ik zal wel boodschappen doen.

Voor de toekomst gebruiken we meestal gewoon de tegenwoordige tijd in het Nederlands en een tijdsaanduiding:

Morgen hoef ik niet te werken.
Dit jaar ga ik niet op vakantie.

Opdracht 1
Bedenk vijf voorstellen aan ...

Lees meer >>

Het Nederlands kent een heel makkelijk systeem om woorden te combineren. In principe schrijf je de twee woorden (zelfstandige naamwoorden of substantieven) die je combineert aan elkaar. Meestal gaat dat goed, maar het is wel eens verwarrend en dan plaatsen we er een streepje tussen.
Een paar voorbeelden:
Winkelcentrum
Badlaken
Winterjas
Auto-onderdelen
Taxichauffeur
Café-eigenaar

Zoals je ziet zijn er twee combinaties hierboven waarbij je een streepje moet gebruiken. Als je dat niet doet, herken je ...

Lees meer >>


Ik heb zin in koffie.
Ik heb zin in de vakantie.
Ik heb zin om naar de film te gaan.
Ik heb zin om bij vrienden langs te gaan.

Als je goed naar deze voorbeelden kijkt, zie je wanneer je ‘zin in’ en wanneer je ‘zin om’ moet gebruiken. Zin in combineer je met een woord en zin om met een werkwoord. Heel simpel dus.

Opdracht
Bedenk waar je allemaal ‘zin in’ hebt of ‘zin om’ en maak hier zinnen mee.

 


Hoe praat je over activiteiten of dingen die nog moeten gebeuren? Veel buitenlanders denken dat we dan het werkwoord ‘zullen’ gebruiken, maar dat is nogal ouderwets.
Het is veel simpeler, we gebruiken gewoon de tegenwoordige tijd in combinatie met een woordje waaruit blijkt dat het niet nu gebeurt, maar in de toekomst.
Een paar voorbeelden:
Morgen hoef ik pas om 10 uur op mijn werk te zijn.
Deze zomer blijf ik in Nederland.
Na mijn studie wil ik een jaar reizen.

Ook is het mogelijk om het werk...

Lees meer >>

Er zijn werkwoorden die we altijd combineren met het woordje ‘het’.
Een paar voorbeelden:
Heb je het ook zo koud?
Ik heb het de laatste weken erg druk.
Ik ben het niet eens met de nieuwe plannen om meer snelwegen aan te leggen.
De vaatwasser is kapot. Hij doet het niet.
Ik wil het even met je hebben over je werkzaamheden.
Heb je het naar je zin in Nederland?
Ik vind het leuk dat je blijft eten.

Er zijn nog meer werkwoorden met ‘het’, maar dit zijn wel de belangrijkste. ...

Lees meer >>


Ontkennen doen we met het woordje ‘geen’ of met ‘niet’. De regel is heel consequent, voor onbepaalde zelfstandige naamwoorden (substantieven) gebruiken we 'geen' en in alle andere gevallen 'niet'.
Voor sommigen levert de plaats van het woordje 'niet' problemen op, maar ook hier zijn de regels duidelijk. ‘Niet’ komt na een bepaald woord, werkwoord en woord van tijd, maar voor een voorzetsel (prepositie) en voor een adjectief.
Een paar voorbeelden:
Ik heb geen honger.
Ik heb geen vakantie ...

Lees meer >>


Wij maken in Nederland heel makkelijk nieuwe werkwoorden. Denk maar aan woorden als zonnen, squashen, barbecuen. Soms ook vernederlandsen (weer zo’n voorbeeld) we woorden die uit het Engels komen.
Bekende voorbeelden daarvan zijn: sms’en, chatten, surfen, faxen, downloaden, mailen, printen, inloggen en googlen.
De betekenis is duidelijk, maar hoe gebruik je deze werkwoorden nu correct? Hoe schrijf je ‘gefaxt’? Wat zijn de regels hierbij?
Een paar voorbeelden:
Ik heb je net ge-sms’t.
Heef...

Lees meer >>


In veel talen heb je hier maar één woord voor en hier begint het probleem, welk woord zal ik kiezen, afmaken, afhebben, uithebben, klaar zijn/hebben.

Het lijkt wel of het Nederlands voor iedere activiteit een ander werkwoord heeft bedacht. Een aantal voorbeelden:
Ik heb de film niet afgekeken, hij duurde me te lang.
Ik heb mijn boek uit. Het was prachtig.
Heb je je werk af? Ja, het is af/ik heb het af.
We zijn vroeg klaar vandaag.
Maak je dit eerst even af, voordat je gaat pauzeren?
De wedstrijd wer...

Lees meer >>


Hoe langer ik in Nederland woon, hoe meer woorden ik ken.
Deze voorbeeldzin laat duidelijk zien dat het gaat om een soort vergelijking waarbij twee dingen gelijk op gaan. Beide zinsdelen zijn bijzinnen en dat is bijzonder en dus extra moeilijk en reden te meer om eens goed te oefenen.

Opdracht
Bedenk een goed vervolg op de volgende zinsdelen en denk eraan dat het werkwoord aan het eind van de zin komt.
Hoe meer ik oefen, ...
Hoe drukker ik het heb, ...
Hoe hoger ik de verwarming zet, ...
Hoe meer ik...

Lees meer >>
 1  |  2 |  3 |  4 |  5
Meest Gelezen