|
Er zijn vier werkwoorden die we vaak combineren met een ander werkwoord: zitten, lopen, staan en liggen. Een paar voorbeelden: Ik zit een boek te lezen. De poes ligt te slapen. Die twee vrouwen lopen te praten. Buiten staat iemand te bellen.
Uit de voorbeelden blijkt dat je deze werkwoorden combineert met ‘te’ en een infinitief. Dat geldt voor de tegenwoordige tijd en de verleden tijd maar vreemd genoeg niet voor de voltooide tijd: Ik heb een boek zitten lezen. De poes lag te slapen.
Opdracht Kies een goed moment uit met veel mensen om je heen. Beschrijf wat ze aan het doen zijn met behulp van de bovenstaande werkwoorden (voor zover mogelijk).
|