|
Deze werkwoorden combineren we meestal met een infinitief aan het eind van de zin. Een paar voorbeelden:
Ik wil dit jaar naar Spanje op vakantie gaan. Zullen we naar de film gaan? Mag jij zo laat naar bed gaan van je ouders? Ik moet nog even boodschappen doen. Ik zal je straks even terugbellen. Ik kan niet goed Nederlands praten. Ik woon hier nog niet zo lang
.‘Willen’ gebruiken we voor iets wat je wenst. ‘Moeten’ gebruiken we voor iets wat noodzakelijk is. ‘Zullen’ gebruiken we voor voorstellen en beloftes. ‘Mogen’ gebruiken we voor iets dat is toegestaan. ‘Kunnen’ gebruiken we voor iets wat mogelijk is.
Opdracht 1 Noem vijf dingen die je graag wilt en gebruik daarvoor het werkwoord ‘willen’
Opdracht 2 Noem vijf dingen die je moet doen de komende tijd en gebruik ‘moeten’.
Opdracht 3 Stel vijf dingen voor om te doen met het werkwoord ‘zullen’, zoals uiteten gaan, naar een café gaan enz.
Opdracht 4 Beloof vijf dingen te doen en gebruik het werkwoord ‘zullen’.
Opdracht 5 Noem vijf dingen die je goed kan.
Opdracht 6 Noem vijf dingen die kinderen volgens jou niet mogen.Let op: antwoord in complete zinnen!
|