|
Toen is een lastig woordje omdat we het op twee manieren gebruiken, als voegwoord en als bijwoord. Als voegwoord geeft het een bijzin en komt het werkwoord dus aan het eind van de zin. En als bijwoord geeft het inversie. De meeste buitenlanders weten niet goed wanneer het wat is ( voegwoord of bijwoord) dus daarom eerst wat uitleg. Beide woorden gebruiken we om iets te beschrijven wat al gebeurd is. 1 Toen ik klein was, speelde ik vaak buiten. 2 Ik woonde vroeger niet in Nederland. Toen sprak ik ook nog geen Nederlands.
In zin 1 is ‘toen’ een voegwoord. Je begint er vaak een zin mee en dat is het verschil met zin 2. In zin 2 kun je ‘toen’ alleen gebruiken als je al iets hebt verteld over vroeger.
Opdracht 1 Toen als voegwoord. Denk na over vroeger en beschrijf verschillende eenmalige gebeurtenissen. Begin steeds met ‘toen’ en denk aan een bijzin. Het makkelijkste is misschien steeds een andere leeftijd van jezelf of anderen te nemen. Voorbeeld:Toen ik 6 was, leerde ik lezen en schrijven. Toen …. 10, ….15, ….20, ….25, enzovoort
Opdracht 2 Toen als bijwoord Denk aan vroeger en vertel iets over eenmalige gebeurtenissen. Noem dan nog iets en gebruik daarbij ‘toen’ met inversie. Voorbeeld: Ik heb aan de universiteit van Utrecht gestudeerd. Toen waren er nog niet zoveel studenten als nu. 1 Ik woonde vroeger in ….. Toen.. 2 Ik sprak vroeger geen Nederlands. Toen … 3 Ik werkte vroeger …… . Toen …. 4 Ik ging in … naar school. Toen … 5 Ik verhuisde in ….. Toen …. 6 Ik trouwde in …. Toen ….
Opdracht 3 Als Als we praten over gebeurtenissen die vaak voorkwamen gebruiken we ‘als’ en niet ‘toen’. Ook dan krijg je een bijzin. Voorbeeld: Als het mooi weer was, gingen we zwemmen in zee.
1 Als …. vakantie … 2 Als .. ziek .. 3 Als .. winter … 4 Als … feest … 5 Als …tv …. 6 Als …mijn moeder …
|