|
Officieel kent het Nederlands vrouwelijke, mannelijke en neutrale zelfstandige naamwoorden, maar in de praktijk maken we meestal alleen onderscheid tussen ‘het’ en ‘de’. In combinatie hiermee gebruiken we natuurlijk ook verwijswoorden. Voor ‘het’ is dat makkelijk, namelijk altijd ‘het’. Voor ‘de’ woorden is het ‘hij ’(subject) of hem (object). Voor meervoud gebruiken we alleen ‘ze’.
Een paar voorbeelden: Waar is mijn portemonnee? Hij zit niet in mijn tas. Heb jij hem gezien? Waar is mijn boek? Het ligt niet op tafel. Heb jij het gezien? Waar zijn mijn sleutels? Ze liggen niet bij de voordeur. Heb jij ze gezien?
Opdracht: Beantwoord de volgende vragen: 1 Welke kleur heeft je broek? 2 Waar staat de suiker? 3 Is dit jouw kopje? 4 Is dit jouw jas? 5 Zie je die winkel? 6 Waar is de koffiemelk? 7 Waar is je fiets / auto? 8 Waar zijn mijn spullen? 9 Heb je brood gekocht? 10 Is de post al geweest?
|